Menu

Boetebeding, hoe zit het ook alweer?

Contractuele boete

Bij het opstellen van contracten voor cliënten bespreek ik altijd met hen of zij “iets” afgesproken hebben over de gevolgen die partijen passend vinden voor het geval afspraken door een van de partijen niet nagekomen worden.

Wat partijen vaak aangeven is dat zij het redelijk vinden, dat als als een partij de afspraken niet nakomt, de overeenkomst beëindigd mag worden door de andere partij. Daarnaast geeft men vaak aan dat, als er sprake is van een grove schending van de afspraken, de andere partij ook recht heeft op een boete. Deze boete ziet vaak ten eerste op het vergoeden van geleden schade maar wordt ook wel omschreven als een “stok achter de deur” om juist te voorkomen dat afspraken niet nagekomen worden.

In het recht wordt als boetebeding gezien ieder beding waarin wordt bepaald dat de ene partij, indien hij in de nakoming van zijn verbintenis tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te voldoen aan de andere partij, ongeacht of zo’n geldsom strekt tot vergoeding van schade of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan. Dit volgt uit het artikel 6:91 Burgerlijk Wetboek (BW). Van belang is dus dat in de overeenkomst duidelijk omschreven wordt bij welke overtreding er welke boete verschuldigd is en aan wie. In het arbeidsrecht kent men naast voornoemde eisen ook de eis dat het boetebeding schriftelijk moet zijn overeengekomen.

Boeten of nakoming? 

Artikel 6:92 lid 1 BW bepaalt dat geen nakoming kan worden gevraagd van zowel het boetebeding en van de hoofdverbintenis. Uitgangspunt van de wet is dus dat of een boete verschuldigd is, of dat de andere partij de afspraken moet nakomen.

Of een beding een Boetebeding is, blijkt niet alleen uit de gekozen “naam” van het beding.

Hetgeen partijen nog wel eens vergeten is, dat de vraag of een beding een boetebeding is, beantwoord moet worden aan de hand van voornoemd criterium. Dit betekent dat ook bedingen die (door partijen) anders genoemd worden, in een procedure alsnog als een boetebeding aangemerkt kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan een annuleringsbeding waarin partijen afspreken dat men alsnog een bedrag moet worden voldoen als de overeenkomst wordt geannuleerd.

Boete of schadevergoeding? 

Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. Uitgangspunt van de wet is dus dat er of een boete verschuldigd is, of een schadevergoeding. Tevens is in de wettelijke regeling bepaald (artikel 6:94 lid 2 BW) dat de rechter aanvullende schadevergoeding naast de contractuele boete kan toekennen.

Regelend recht dus bij goed beding toch boete, schadevergoeding en nakoming

De wettelijke bepalingen die gelden voor het boetebeding zijn echter van regelend recht, dit betekent dus dat als partijen de wettelijke bepalingen niet tussen hen willen laten gelden zij hiervan in het contract af kunnen en moeten wijken. Met betrekking tot het boetebeding is dit dus met name van belang als partijen de mogelijkheid willen behouden om naast een contractuele boete ook voor de “overige” schade een schadevergoeding te kunnen laten vaststellen. Dit kan in het contract bijvoorbeeld zo geformuleerd worden:

onverminderd het recht van de ene partij om nakoming van deze overeenkomst te verlangen en/of in plaats van de boete de volledige werkelijk schade van de andere partij te vorderen.”

Matigen boetebeding 

Als partijen eenmaal met elkaar overeen komen dat er een boete beding moet worden opgenomen, dan is het natuurlijk vervelend als de afspraken die partijen daarover gemaakt hebben later opeens toch gewijzigd zouden worden.

Op grond van het eerste lid van artikel 6:94 BW kan de rechter een bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging van de bedongen boete slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.

Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638 Intrahof/Bart Smit). Deze maatstaf, die noopt tot terughoudendheid bij het hanteren van de bevoegdheid tot matiging, geldt ook indien het gaat om een contractuele boete ter hoogte van 10% van de koopprijs in koopovereenkomsten ter zake van onroerend goed (HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986).

Het is daarom voor partijen verstandig om wat betreft de hoogte van het boetebeding in acht te nemen dat (1) een duidelijk bedrag per overtreding wordt opgenomen; en (2) een duidelijk maximum wordt opgenomen; en (3) duidelijk wordt omschreven dat partijen de voornoemde hoogtes beide redelijk en billijk vinden in het kader van de belangen die gemoeid gaan met de overeenkomst.

Consumenten en boetebedingen.

Los van de voornoemde matigingsbevoegdheid van de rechter, dient een rechter in sommige gevallen ambtshalve (dus ook zonder dat partijen hierom gevraagd hebben) te toetsen of de  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13), van toepassing is. Voor de toepassing van Richtlijn 93/13 moet sprake zijn van een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en waarbij een van partijen een consument is.

De hier aan de orde zijnde boetebedingen worden normaliter opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 bepaalt dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Artikel 6:231, onder a, BW definieert dergelijke bepalingen als bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (‘kernbedingen’). Het begrip kernbeding moet blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 6:231 BW zo beperkt mogelijk worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt (zie onder meer HR [nummer] februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1563, r.o. 3.4.2).

Het begrip consument in de zin van artikel 2, onder b), van Richtlijn 93/13 is een objectief begrip dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt.

Artikel 4 lid 1 van de Richtlijn 93/13 bepaalt dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

Om te bepalen of een beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval, in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit. Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan al volgen uit het feit dat de rechtspositie waarin de consument als partij bij de betrokken overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht “in strijd met de goede trouw” wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.

Als de rechter vaststelt dat een boetebeding als oneerlijk en daarmee als onredelijk bezwarend moet worden beoordeeld dan dient de rechter dat beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen. Naar zijn aard, kan een dergelijke vordering (tot vernietiging) niet verjaren. Van matiging van de krachtens dat artikel op te leggen boete door de rechtbank kan ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 30 mei 2013, C-488/11, ECLI:EU:C:2013:637 (Asbeek Brusse) geen sprake zijn.

Dit betekent dus (1) de rechter moet uit zichzelf kijken of het boetebeding valt onder de richtlijn; en (2) als dat zo is, dan moet de rechter zelf kijken of het onredelijk bezwarend; en (3) als dat zo is, dan moet de rechter het beding vernietigen, zodat het helemaal van de baan is. Dit laatste is met name anders van boetebedingen tussen bedrijven, en wel omdat die bedingen wel gematigd kunnen worden.

Geplaatst in Contractenrecht