Menu

Samen huren met je kind/ouder?

Deze week vroeg een cliënt of hij het recht had om als medehuurder te worden gezien van zijn moeder, met wie hij al vele jaren samenwoonde.

Ik hield hem voor dat op grond van artikel 7:267 lid 1 BW een huurder en een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, gezamenlijk kunnen verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn, mits zij hieraan voorafgaand een dergelijk verzoek hebben ingediend bij de verhuurder en de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk heeft verklaard met dit verzoek in te stemmen.

De wetgever heeft een drietal afwijzingsgronden vastgelegd. Op grond van artikel 7:267 lid 3 BW wijst de rechter een verzoek als bedoeld in artikel 7:267 lid 1 BW slechts af als één van de volgende drie situaties zich voordoet:

  • indien de persoon die als medehuurder wil worden aangemerkt niet gedurende minstens twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder voert;
  • indien het medehuurderschap de strekking heeft om deze persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
  • indien de persoon die als medehuurder wil worden aangemerkt vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor nakoming van de verplichting tot het betalen van de maandelijkse huur.

In mijn praktijk speelt met name de vraag “is de samenleving met de ouder/het kind duurzaam?”.  De duur van de samenwoning is indicatief maar niet alles bepalend, behoudens de minimumtermijn van twee jaar.

Uitgangspunt is dat voor de bepaling van de door artikel 7:267 BW vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien van belang (vgl. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0838, NJ 1993/549, en HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1281, NJ 1994/376).

Van een gemeenschappelijke huishouding zal meestal sprake zijn als de woonkosten en/of kosten van levensonderhoud worden gedeeld, huishoudelijke taken worden uitgevoerd, gezamenlijke huisinrichting of gebruiksvoorwerpen worden aangeschaft, samen wordt gegeten, vrije tijd samen wordt doorgebracht en/of de ander wordt verzorgd. Ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding geldt een verzwaarde stelplicht in die zin dat voldoende concrete feiten en omstandigheden over de gestelde gemeenschappelijke huishouding dienen te worden aangevoerd.

Meer specifiek over de kwalificatie van de samenleving met het kind/de ouder, merk ik altijd op dat de enkele omstandigheid dat een kind na zijn meerderjarig worden nog bij zijn ouder(s) in een gemeenschappelijke huishouding blijft wonen, niet meebrengt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, omdat dan in de regel sprake is van een aflopende samenlevingssituatie, tenzij zij nog op hogere leeftijd bij hun ouders wonen of er zijn teruggekeerd (onder andere HR 12 maart 1982 NJ 1982, 352 en HR 14 november 2003 NJ 2005, 269).

Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW (vgl. HR 12 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4340, NJ 1982/352, en HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ7364, NJ 2004/658).

De situatie waarin een kind – bijvoorbeeld na het verbreken van een relatie, het afronden van een studie of een verblijf in het buitenland – niet (meer) over eigen woonruimte beschikt en om die reden opnieuw zijn intrek neemt bij zijn ouder(s) in de ouderlijke woning verschilt wezenlijk van de situatie dat een kind bij een ouder wordende ouder intrekt om duurzaam steun te kunnen bieden en huishoudelijke taken te kunnen delen. Van belang daarbij is dat bij het beoordelen van de duurzaamheid van een gedurende langere tijd gevoerde gemeenschappelijke huishouding rekening mag worden gehouden met de wijze waarop de bedoeling van de huurder en de huisgenoot zich in de verschillende fasen van de samenwoning heeft ontwikkeld7. Dat betekent dat de gemeenschappelijke huishouding die ontstaat als een kind na het verbreken van een relatie – wellicht door de omstandigheden gedwongen en naar de verwachting van toen slechts tijdelijk – terugkeert in de ouderlijke woning (die in beginsel niet duurzaam zal zijn) na verloop van tijd wel kan uitgroeien tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de ouder(s).

Indien u vragen heeft over dit onderwerp neem dan telefonisch contact op.

Geplaatst in Huurrecht