Menu

Wie vertegenwoordigde het bedrijf tijdens de vakantie?

Tijdens (bijvoorbeeld) de vakantie komt het nogal voor dat er beslissingen genomen (en/of contracten gesloten/beëindigd) worden door andere personeelsleden dan de bestuurder.

Ingevolge artikel 2:240 BW wordt de vennootschap vertegenwoordigd door het bestuur. Als de beslisser geen bestuurders zijn en er geen sprake is van volmachtverlening, heeft in beginsel te gelden dat de onderneming niet aan de overeenkomst gehouden is. Dit zou dus betekenen dat, die beslissingen die genomen worden door een ander dan de bestuurder de onderneming niet binden.

Dit is anders wanneer sprake is van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Art. 3:61 lid 2 BW bepaalt: “Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”.

Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde is, plaats indien de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan de beweerdelijk onbevoegde tussenpersoon op grond van (a) hetzij een verklaring of gedraging van de onbevoegd vertegenwoordigde (toedoen), (b) hetzij op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (risicobeginsel). Dit volgt o.a. uit de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115 (ING/Bera; zie nadien voorts: HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT4790, NJ 2012/389 en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4909, NJ 2012/390).

In de Nederlandse rechtspraak wordt onder een `gedraging’ van de principaal ook begrepen: gevallen waarin de vertegenwoordigde (1) heeft gezwegen onder omstandigheden waarin spreken een plicht was; en (2) gevallen waarin het gewekte vertrouwen voortvloeit uit de functie waarin de pseudo-gevolmachtigde was aangesteld en de gerezen onduidelijkheid over de reikwijdte van de volmacht in die functie voor risico van de principaal wordt gebracht.

  • HR 1 maart 1968, NJ 1968, 246 m.nt. GJS (architect m.b.t. opdracht aan aannemer; “dat de schijn van vertegenwoordiging waarop derden mogen afgaan niet slechts door een doen, doch onder omstandigheden ook door een niet-doen kan worden gewekt”);
  • HR 4 juni 1976, NJ 1977, 336 m.nt. BW (orgaan vennootschap);
  • HR 27 januari 1984, NJ 1984, 545 m.nt. G (goedkeuringsvereiste);
  • HR 24 april 1992, NJ 1993, 190 m.nt. HJS (deurwaarder);
  • HR 27 november 1992, NJ 1993, 287 m.nt. PvS (luchthavenmeester; “dat (…) zich omstandigheden kunnen voordoen waaronder die onjuiste veronderstelling voor rekening van de overheid dient te komen (…)”;
  • HR 9 oktober 1998, NJ 1999, 581 m.nt. PvS (uitvoerder bouwbedrijf; “dat in de aanstelling (…) als uitvoerder besloten ligt dat hem een toereikende volmacht is verleend om die overeenkomsten aan te gaan die naar verkeersopvattingen uit de vervulling van deze functie voortvloeien”);
  • HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 582 m.nt. PvS (bedrijfsleider);
  • HR 9 augustus 2002, NJ 2002, 543 (makelaar);
  • HR 26 september 2003, NJ 2004, 460 (huurovereenkomst met regiopolitie), JOR 2004, 32 m.nt. Kortmann.
  • HR 26 juni 2009, LJN: BH9284 (makelaar), JOR 2009, 246 m.nt. Dammingh.

Blijkens de wettekst kan een volmacht uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend. Een vaak gebruikt voorbeeld is de verkoopster achter de toonbank in een warenhuis. Ook zonder dat de directie van het warenhuis hem dit uitdrukkelijk heeft medegedeeld, mag de klant erop vertrouwen dat deze verkoopster bevoegd is tot verkoop van de aldaar ten toon gespreide waren: de vertegenwoordigingsbevoegdheid ligt besloten in haar functie. Voor bescherming van het vertrouwen van de klant is geen plaats wanneer dezelfde verkoopster hem het gehele warenhuis te koop aanbiedt.

Dit risicobeginsel gaat niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon. Uit het arrest ING/Bera volgt dat de rechter in zijn uitspraak mede feiten of omstandigheden dient vast te stellen die de onbevoegd vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat laatstgenoemde in zijn verhouding tot de wederpartij het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt.