Menu

Aandeelhoudersovereenkomst, onderwerpen om aan te denken.

Partijen die op het punt staan een samenwerking aan te gaan, adviseer ik altijd om – juist als de sfeer tussen partijen goed is – goed na te denken over de afspraken die gemaakt moeten worden voor als die sfeer ooit omslaat. Ik adviseer de beoogde samenwerkers, daarom altijd goed te letten op de volgende zaken.

  1. Wat is het “niet juridische” doel van de samenwerking?

Hetgeen ik partijen altijd vraag is om samen na te gaan “waarom” men eigenlijk de samenwerking aangaat. Het is namelijk belangrijk dat partijen samen bespreken wat de inzet van de samenwerking is, immers het kan de bedoeling van partijen zijn om daadwerkelijk als ondernemers samen op te trekken, maar het kan ook de bedoeling zijn, dat “enkel” de ene partij geld ter beschikking stelt aan de andere partij. Deze andere partij kan daardoor mogelijke ondernemingsdoelen “gemakkelijker” realiseren.

In mijn ervaring is het, goed voor ogen hebben waarom men samenwerkt, een eerste stap op weg naar hoe er samen gewerkt gaat worden.

2. Welk type aandelen passen het beste bij het beoogde doel?

Als partijen eenmaal weten waarom ze samen gaan werken, dan moet er gekeken worden hoe partijen samen rechten krijgen binnen de doel onderneming.

Het is gebruikelijk dat ondernemers geld binnen de onderneming krijgen door aandelen van hun in de onderneming te verkopen (aandelen verkoop van de aandeelhouder) of dat men de onderneming nieuwe aandelen laat uitbrengen die direct van de onderneming gekocht worden (kapitaalverhoging door verwatering). Partijen die bereid zijn om de ondernemer te financieren op deze manier krijgen daarvoor dan dus een aandeel in de onderneming.

Het is gebruikelijk aan dit aandeel rechten te verbinden, zoals bijvoorbeeld een recht op winst van de onderneming (dividend). Als eenmaal de keus gemaakt wordt om aandelen uit te geven, dan dient men de vraag te stellen “Welke aandelen?”. Hieronder een korte (niet limitatieve maar wel meest gebruikte) opsomming van de verschillende aandelen die uitgegeven kunnen worden.

  • “Gewone” aandelen: Dit zijn aandelen waaraan, gelijke rechten en verplichtingen zijn verbonden (tenzij de statuten iets anders bepalen) en die het recht geven om te stemmen in de AVA en een recht op dividend kennen.
  • Winstrechtloze aandelen: Dit zijn aandelen waar wel meegestemd kan worden, maar die geen recht op dividend kennen. Deze variant wordt vaak gebruikt bij familievennootschappen.
  • Stemrechtloze aandelen: Dit zijn aandelen die wel een recht op dividend kennen, maar geen stemrecht. Aandeelhouders die deze aandelen hebben, mogen overigens wel de AVA bijwonen. Deze variant wordt vaak gebruik in situaties waarin partijen afspreken dat een geldverstrekker niet mee zal beslissen.
  • Prioriteitsaandelen: Dit zijn aandelen aan welke, naast de gewone rechten op stemmen en dividend, extra rechten zijn verbonden. Vaak gebruikte extra rechten zijn vetorechten, doen van voorstellen voor bestuur en beslissingen over dividenduitkeringen.
  • Preferente aandelen: Dit zijn aandelen die de houder ervan “voorkeursrechten” geven, zoals bijvoorbeeld het “eerste recht” op dividend, dus voordat andere aandeelhouders dividend krijgen.
  • Cumulatief preferente aandelen: Natuurlijk kan het voorkomen dat de er jaren zijn, dat er geen winst gemaakt wordt. In die jaren zal er geen dividend uitgekeerd worden. Cumulatief preferente aandelen geven de houder ervan het recht om, op het moment dat wel winst gemaakt wordt alsnog dividend te verkrijgen over de jaren dat geen dividend werd uitgekeerd (dus preferente aandelen + dividend over achterstallige jaren).

3. (Ver)kopen van Aandelen 

Als partijen er zich eenmaal van bewust zijn dat aandelen dus een belangrijke rol innemen binnen de verhouding tussen partijen, of ze het recht hebben om (en hoe) winst uit de onderneming te halen en of zij stemrecht hebben, dan is het vaak ook duidelijk dat partijen goede afspraken moeten maken over de wijze waarop aandelen binnen de vennootschap van eigenaar kunnen veranderen. Zaken die in dat kader daarom besproken moeten worden zijn:

  • Aanbiedplicht: moet een aandeelhouder – die uit de onderneming wil stappen – de aandelen eerst aanbieden aan de overblijvende aandeelhouders? of mag deze vertrekkende partij de aandelen direct aan een derde aanbieden?  
  • Drag along-regeling: Het komt voor dat een (meerderheids)aandeelhouder zijn aandelen wil verkopen, partijen kunnen afspreken dat in dat geval de andere (minderheids)aandeelhouders verplichten zijn hun aandelen ook te verkopen aan deze beoogde koper, dit kan via dit “meesleeprecht”. Voor een potentiele koper heeft zo’n bepaling het voordeel dat deze er zeker(der) van is dat hij alle aandelen kan verkrijgen.
  • Tag along-regeling:  Tegenhanger van de Tag along-regeling is de Tag along- regeling. Deze laatste geeft de (minderheids)aandeelhouder het recht om, gelijktijdig met de (meerderheids)aandeelhouder, de gehouden aandelen te verkopen.  Door dit “meeverkooprecht” is een (minderheids)aandeelhouder beschermd tegen de toetreding van een (niet-gewenste) (meerderheids)aandeelhouder. Daarbij is het zo dat de Tag along-regeling geen verplichting is, de (minderheids)aandeelhouder mag meeverkopen, maar hoeft dat niet.
  • ‘Good leaver’ en ‘bad leaver’: deze bepaling beschrijft de situaties waarin een aandeelhouder hetzij kan uittreden zonder sanctie bijvoorbeeld wanneer een aandeelhouder  de wettelijke pensioenleeftijd bereikt of langdurig afwezig is wegens ziekte (good leaver)  hetzij kan uitgesloten worden tegen betaling van een lagere overnameprijs  bijvoorbeeld wanneer een vennoot onfrisse zaakjes bedreef die negatief afstralen op de vennootschap, zoals fraude (bad leaver).
  • Partijen zullen ook na moeten denken over de vraag hoe om te gaan met het wegvallen van een aandeelhouder? Wat willen partijen regelen voor het geval er zich een faillissement, ziekte of overlijden zich voordoet? Krijgen de andere aandeelhouders bijvoorbeeld een kooprecht op het moment dat deze omstandigheden zich voordoen?

4. Uitoefenen van het bestuur

Hetgeen niet iedereen weet is, dat een onderneming uiteindelijk de aanwijzingen van haar aandeelhouders moet opvolgen. Het is dan ook belangrijk dat ook gekeken wordt hoe de zeggenschap binnen de samenwerking geregeld wordt. Dit kan door in te grijpen in de:  

  • Samenstelling van het bestuur: bijvoorbeeld door aan bepaalde aandeelhouders(groepen) een voordrachtrecht te geven om een zitje in het bestuur te bekomen.
  • Werking van het bestuur: bijvoorbeeld door cruciale beslissingen op het niveau van de algemene vergadering te brengen en deze  afhankelijk te maken van versterkte meerderheden. In dat geval worden de minderheidsaandeelhouders, of diegene zonder doorslaggevende stem, toch betrokken bij de belangrijkste beslissingen van de vennootschap.

Het spreekt daarnaast voor zich dat partijen afspraken moeten maken hoe het bestuur en hoe de aandeelhouders met elkaar zullen overleggen.

5. Geschillen oplossen

Veel voorkomende geschillen die plaatsvinden tussen aandeelhouders zijn:

  • bescherming van de (minderheids)aandeelhouder, door bijvoorbeeld een veto recht; en
  • hoe gaan partijen om met mogelijk dead-lock situaties, situaties waarin partijen niet tot overeenstemming komen en zodoende geen sturing gegeven kan worden; en

6. Non-concurrentie en vertrouwelijkheid 

Omdat de drijvende kracht van de onderneming vaak de ondernemer is, die in dit geval ook aandeelhouder is, zullen partijen ook goede afspraken moeten maken over de mate waarin aandeelhouders (niet)mogen concurreren met de vennootschap. Daarbij wijs ik mensen natuurlijk ook op wat redelijk is, partijen die juist met elkaar de samenwerking aangaan omdat men elkaar al uit de markt kennen, doen er goed aan zich af te vragen of het redelijk is van elkaar te verlangen dat de ander niet mag concurreren met andere eigen bedrijven.

Daarnaast spreken partijen natuurlijk vaak met elkaar geheimhouding af, ter zake de kennis en wetenschap die ze opdoen binnen het bedrijf.

7. Ten slotte

Naast alle voornoemde onderwerpen vind ik het zelf verstandig om in deze fase ook al na te denken over andere praktische onderdelen. Of deze allemaal relevant zijn, is iets dat samen bekeken moet worden. Ik wijs mensen vaak op onderwerpen als:

Qua personeel?

  • Hoe gaat het management (en hun vergoeding) eruit zien?
  • Hoe gaat de personeelsopbouw (en hun vergoeding) eruit zien?

Qua verdere financiering?

  • Hoe gaan we om aantrekken van ander kapitaal?
  • Als er ander kapitaal aangetrokken wordt, welke bescherming hebben we dan tegen verwateren van de al bestaande aandeelhouders?

Qua opbrengsten?

  • Hoe gaat het dividendbeleid eruit zien?
  • Welke rol en bijbehorende vergoeding mogen partijen zelf vervullen binnen de onderneming?
  • Welke rol en bijbehorende vergoeding mogen andere bedrijven van de aandeelhouders binnen de onderneming vervullen?

Qua Intellectueel Eigendomsrecht?

  • Wie wordt eigenaar van mogelijke intellectueel eigendomsrechten?

Qua recht, forum en arbitrage?

  • Mogen geschillen direct aan de rechter voorgelegd worden? of gaan partijen eerst naar een arbiter?
  • Welke rechtbank (die van de aandeelhouders of de vennootschap) zal bevoegd zijn?

Als partijen ervoor kiezen om samen te werken in een BV, dan zie ik dat deze afspraken (vaak) vastgelegd worden in een Aandeelhoudersovereenkomst. Dit neemt niet weg dat partijen die hun samenwerking anders inrichten (bijvoorbeeld samenwerking van eenmanszaken) de voornoemde punten alsnog (groten)deels kunnen vastleggen. Ook als er niet gesproken wordt over (bijvoorbeeld) de verkoop van aandelen, dan betekent het niet dat er niet gesproken kan worden over hoe partijen om moeten gaan met een beëindiging van een samenwerking.

Geplaatst in Ondernemingsrecht