Menu

ONRECHTMATIGE DAAD – wat is het?

In mijn praktijk hoor ik cliënten bijna dagelijks zeggen dat een handelen van een ander door tegen hen als onrechtmatig wordt gezien (“wat hij/zij deed, dat moet toch niet kunnen”). De vraag die ik met hen vervolgens moet beantwoorden of dat handelen niet alleen door mijn clienten als onrechtmatig wordt gezien, maar ook of dat in het Nederlands recht gekwalificeerd kan worden als een “onrechtmatige daad“.

In ons burgerlijk wetboek is de onrechtmatige daad opgenomen in artikel 6:162 BW. In de rechtspraak hebben kwalificeren we een handelen of een nalaten – waarbij een ander schade wordt berokkend – als een onrechtmatige daad. Er moet in zo’n geval aan vijf vereisten voldaan zijn om te mogen spreken van een onrechtmatige daad. Het moet gaan om een onrechtmatige daad die toegerekend kan worden aan de dader waarbij schade ontstaan is dat het gevolg is van die onrechtmatige daad. Ten slotte moet er gekeken worden of er relativiteit bestaat tussen de schade en de wettelijke bepaling die de benadeelde daartegen beschermd.

Een aantal van deze criteria leg ik verder uit. Zoals gezegd moet het gaan om een onrechtmatige daad. Hiervan is sprake indien er sprake is van een inbreuk zijn op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten dat in strijd komt met hetgeen dat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamd. Wat betreft de schade, is van belang te realiseren dat schade kan bestaan uit materiële schade en immateriële schade. Ten slotte moet er gekeken worden of er relativiteit bestaat tussen de schade en de wettelijke bepaling die de benadeelde daartegen beschermd. Als die wettelijke bepaling geen bescherming verleend, dan kan er niet worden gesproken van een onrechtmatige daad.

In de rechtspraak worden heel veel uitspraken gedaan over de onrechtmatige daad. Een van de eerste uitspraken is het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1919. Beter bekend als het Lindenbaum-Cohen arrest. De  oordeelde in het arrest dat ook handelingen die ingingen tegen de maatschappelijke zorgvuldigheid als onrechtmatig konden worden aangeduid.

“Overwegende ten aanzien van het eerste middel:
dat ’s Hofs beslissing aan de uitdrukking “onrechtmatige daad” eene betekenis toekent dermate beperkt, dat daaronder alleen kunnen begrepen worden die handelingen, waarvan het ongeoorloofde1 uit eenig wetsvoorschrift rechtstreeks is af te leiden, terwijl daarbuiten vallen alle handelingen van welke dit niet kan worden aangetoond, ook al mogen deze strijdig zijn met maatschappelijke betamelijkheid en zedelijkheid;
dat echter tot zoodanig beperkte uitlegging het artikel geen grond geeft, noch door de bewoording waarin het is vervat, noch door de geschiedenis zijner wording;
dat immers het woord onrechtmatig niet gelijkwaardig is met strijdig tegen een wetsbepaling, en blijkens de geschiedenis de uitdrukking “tout fait quelconque de l’homme” alleen vervangen is door onrechtmatige daad, om uitdrukkelijk buiten te sluiten de daad van hem, die, behoudens nalatigheid of onvoorzichtigheid, handelt krachtens eigen recht;
dat onder onrechtmatige daad is te verstaan een handelen of nalaten, dat òf inbreuk maakt op eens anders recht, òf in strijd is met des daders rechtsplicht, òf indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij, door wiens schuld tengevolge dier daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht;
Overwegende dat onder dit begrip zeker valt de daad van hem, die tot eigen baat, door giften en beloften den bediende van een concurrent overhaalt de beroepsgeheimen van zijn meester aan dezen afhandig te maken en aan hemzelven te openbaren;
Overwegende dat mitsdien het Hof door zijne beslissing artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek heeft geschonden en alzoo het middel is gegrond” 

Hiermee deed het ongeschreven recht zijn intrede. Het arrest is van groot belang geweest voor de rechtsontwikkeling in Nederland. Rechtsontwikkeling ziet de Hoge Raad tegenwoordig als zijn belangrijkste taak. Het arrest heeft ook vooral historische waarde; het criterium staat tegenwoordig als zodanig in de wet (art. 6:162 BW).

Geplaatst in Contractenrecht