Ingevolge artikel 1:392 lid 1, sub a, en 2 BW zijn op grond van bloed- of verwantschap de ouders gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud en bestaat deze verplichting ten aanzien van kinderen die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt slechts in het geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde.
Uit voornoemde artikel blijkt dat de verplichting van de alimentatieplichtige (degene die een financiële bijdrage dient te leveren) van rechtswege volgt uit de wet. Het idee van verplichtingen die “van rechtswege” ontstaan is, dat je hier in principe niet om hoeft te vragen maar dat je er alsnog recht op hebt.
Het is daarom dat ik vaak cliënten moet “teleurstellen” als ze mij vragen om – nadat zij eerst niet om een alimentatie hebben gevraagd – een alimentatie met terugwerkende kracht vast te laten stellen.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (wijziging van de) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Indien de rechtbank een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht wijzigt, dient zij, indien de alimentatieplichtige gemotiveerd betoogt dat hij niet tot die betaling in staat is of kan worden gehouden, daarop in zijn motivering in te gaan.
De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In het vorenstaande ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard (vgl. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2288, NJ 2009/304, en HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5310, NJ 2011/514). Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.”[1]
[1] Zie: HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, en de daar aangehaalde rechtspraak. Zie nadien nog: HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92; HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365, JPF 2016/99 m.nt. P. Vlaardingerbroek; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:270; HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, JPF 2017/127 m.nt. P. Vlaardingerbroek. Zie over de wijziging van alimentatie voor het verleden uitvoerig: Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:402 BW, aant. 2 (S.F.M. Wortmann).
