Menu

CORONA Rechtspraak tussenstand

Veel van onze cliënten vragen zich af, of de gevolgen van de (overheidsmaatregelen als gevolg van de) COVID-19 pandemie, ook gevolgen hebben op overeenkomsten die zij gesloten hebben.

Naar aanleiding van het jurisprudentieonderzoek dat wij hebben verricht (binnen de grotere rechtsgebieden arbeidsrecht, huurrecht, contractenrecht en algemene verbintenissen) trekken wij de voorlopige conclusie dat de rechtspraak met name een oplossing zoekt in het duidelijk maken dat de overheidsmaatregelen die zijn getroffen bezien moeten worden als onvoorziene omstandigheden. Als gevolg van die onvoorzien omstandigheid zouden partijen in overleg moeten treden met elkaar om de gevolgen voor de partijen te “verdelen” tussen partijen.

I. Arbeidsrecht

  • Gevolgen op mogelijk voorstel salarisaanpassing:

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba d.d. 30 september 2020

ECLI:NL:OGEAA:2020:384

“Toepassing van Stoof/Mammoet op door de werkgever voorgestelde salarisaanpassingen wegens negatieve gevolgen van de Covid-19 pandemie op de bedrijfsomzet. In beginsel is het niet uitgesloten dat de negatieve bedrijfseconomische gevolgen die een werkgever ondervindt ten gevolge van de Covid-19 pandemie, gewijzigde omstandigheden opleveren waarin die werkgever aanleiding kan vinden om een voorstel tot aanpassing van de salarissen te doen. Deze gevolgen behoren dus niet zonder meer tot de exclusieve risicosfeer van de werkgever. De vraag of de gevolgen van de pandemie in een concreet geval aanleiding geven tot het doen van een voorstel tot aanpassing van het salaris, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.

  • Niet “direct” instemmen met loonreductie, levert geen grond op arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten d.d. 25 september 2020

ECLI:NL:OGEAM:2020:112

4.6. Het Gerecht overweegt dat dit incident niet voldoende zwaarwegend is om als veranderde omstandigheid aan te merken, gelet op het relatief lange onberispelijke dienstverband. Anders dan de werkgever vindt het Gerecht dat er geen sprake van is dat de werknemer zich niet coöperatief heeft opgesteld bij de contacten over de vergaande loonreductie als gevolg van de COVID-pandemie. Per slot van rekening was iedereen door deze crisis overvallen. Het is niet verwonderlijk als men tijd heeft om daaraan te wennen en dat de communicatie daarover dan wat strubbelingen kent. Uiteindelijk is de werknemer wel akkoord gegaan met een stevige loonreductie. De werkgever had, naar het oordeel van het Gerecht, moeten volstaan met een mindere sanctie (schriftelijke berisping of schorsing).

  • Stopzetten uitbesteden levert geen inbesteding op, noch strijd met beschermingen zoals geboden door richtlijn 2001/23/EG

Rechtbank Amsterdam d.d. 27 augustus 2020

ECLI:NL:RBAMS:2020:4226

4.6. Hilton heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een sterke teruggang in de kamerbezetting en benutting van de openbare ruimtes, zoals dat bij alle hotels (in het duurdere segment) in Amsterdam het geval is als gevolg van Covid-19. Het meerwerk, waarvoor CSU is ingeschakeld, is niet meer beschikbaar. Ook Hilton gaat dat werk niet verrichten. Van 48,6 fte per week aan benodigd schoonmaakpersoneel vóór Covid-19 heeft Hilton thans nog voor 19,4 fte aan schoonmaakpersoneel nodig. Het voorgaande brengt mee dat in dit geval niet kan worden gesproken van inbesteding. De beschermingsgedachte van richtlijn 2001/23/EG wordt hiermee niet geschonden. Die geldt als het werk verricht blijft worden en dat is hier niet het geval. Hilton heeft onweersproken gesteld dat de schoonmaakmedewerkers die bij haar in dienst zijn op dit moment betaald thuis zitten, terwijl de medewerkers van CSU het nog aanwezige werk verrichten. Hilton houdt de CSU-medewerkers op dit moment nog aan het werk omdat zij daar toch voor moet betalen.

  • Gevolgen overheidsoptreden onvoorziene omstandigheden

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten d.d. 4 november 2020

ECLI:NL:OGEAM:2020:107

“4.1. Het verzoek is gebaseerd op een gewichtige reden, bestaande uit veranderde omstandigheden. Die omstandigheden bestaan uit de zwaar teruggelopen omzet als gevolgd van de COVID-pandemie. Door de werknemer worden hier vraagtekens bij gezet omdat in de zomer er altijd sprake is van laagseizoen. Het Gerecht overweegt dat door de COVID-pandemie de economie op Sint Maarten enorme klappen heeft gekregen en dus ook het luchtverkeer. Duidelijk is ook dat de pandemie nog steeds voortduurt. Dus in die zin is het Gerecht het eens met de werkgever dat er sprake is van veranderde omstandigheden.”

  • Terugval omzet is verandering van omstandigheden die van dien aard is dat de dienstbetrekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te beëindigen

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba d.d. 28 september 2020

ECLI:NL:OGEAA:2020:374

“Het is voldoende aannemelijk dat de omzet van de werkgever sterk is gedaald en dat zij genoodzaakt is om de kosten te verlagen om op die wijze de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Naar het oordeel van het gerecht is er daarmee sprake van een verandering van omstandigheden die van dien aard is dat de dienstbetrekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te beëindigen.

Rest:

II. Huurrecht:

  • Gevolgen overheidsmaatregelen verdelen tussen huurder en verhuurder

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao d.d. 26 juni 2020

ECLI:NL:OGEAC:2020:162

“3.9. Met verwijzing naar de uitspraak van dit Gerecht van 8 juni 2020 in een vergelijkbare kwestie (ECLI:NL:OGEAC:2020:156, Nos Nèshi) wordt hierover het volgende overwogen. De covid 19-pandemie en de in verband daarmee door de overheid opgelegde maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus betreffen een onvoorziene gebeurtenis. De vraag voor wiens rekening de gevolgen daarvan dienen te komen (de noodgedwongen sluiting door huurster van het restaurant en dientengevolge het wegvallen van de omzet) laat zich niet eenvoudig beantwoorden. Enerzijds ontslaat de onvoorziene gebeurtenis de huurster niet van diens betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst. Anderzijds is goed denkbaar dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat in de zakelijke verhouding van partijen de negatieve gevolgen van de coronasluiting op grond van de redelijkheid en billijkheid niet enkel op huurster kunnen worden afgewenteld (art. 6:257 BW), nu gedurende de coronamaatregelen aan huurster geen of in beperkte mate huurgenot is verschaft (art. 7:207 juncto 7:204 lid 2 BW). Gelet daarop, alsmede bij een afweging van de wederzijdse belangen, zal voorlopig oordelend tot uitgangspunt worden genomen dat de huurkosten over de periode dat de restaurants in Curacao op last van de overheid waren gesloten (medio maart 2020 tot medio mei 2020, dus circa twee maanden), gelijkelijk over beide partijen moeten worden verdeeld. Voor die twee maanden is huurster derhalve verschuldigd (2 x NAf 625 =) NAf 1.250.”

Herhaald in uitspraak Gerecht in eerste aanleg van Curaçao d.d. 8 juni 2020.

Herhaald in uitspraak rechtbank Noord-Holland d.d. 27 mei 2020 onder 4.8.

Herhaald in uitspraak Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba d.d. 27 augustus 2020 onder 4.11.

  • Gevolgen voor mogelijkheid te ontruimen

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten d.d. 20 november 2020

ECLI:NL:OGEAM:2020:95

“Vordering tot ontruiming van bedrijfsruimte aangezien gedaagde structureel de huur laat betaalt. Gelet op de ingevolge COVID 19 van overheidswege getroffen maatregelen rechtvaardigt deze te late betalingen geen ontruiming van de bedrijfsruimte ook niet omdat in de huurovereenkomst zelf de financiële gevolgen worden geregeld die verbonden zijn aan de te late huurbetalingen.

  • Extra tijd voordat woning ontruimd moet worden door huurder

Gerechtshof Amsterdam d.d. 1 april 2020

ECLI:NL:GHAMS:2020:1265

“Huur van woonruimte. Sluitingsbevel voor de duur van drie maanden op grond van ex artikel 13b van de Opiumwet wegens aanwezigheid verdovende middelen. Evenals de eerste rechter oordeelde, is de vordering ontruiming toewijsbaar, maar in verband met Covid-19 krijgen de appellanten twee maanden de tijd, na betekening van dit arrest, om de woning te verlaten en te ontruimen.

  • COVID-19 pandemie op zichzelf is geen belemmering huurprijs te betalen

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao d.d. 13 juli 2020

ECLI:NL:OGEAC:2020:180

“4.4. …Een beroep op overmacht ex artikel 6:75 BW kan alleen maar slagen als de belemmering de prestatie zelf betreft. Gesteld noch gebleken is dat de Covid-19 pandemie op zichzelf bezien een belemmering oplevert voor het betalen van huurpenningen. Van overmacht kan niet worden gesproken, indien door een later ingetreden verandering der omstandigheden – in casu geen inkomen kunnen genereren doordat de er geen werk meer is in de toeristische sector als gevolg van de Covid-19 pandemie – het aanvankelijk bestaande evenwicht tussen de wederzijdse prestaties – huur betalen tegen over het beschikbaar stellen van het appartement – wordt verbroken. Dat betekent dat het gebrek aan inkomen en het daardoor geen huur kunnen betalen voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf komt.”

  • Verplichting voor verhuurder om betaalde huursom terug te betalen

Rechtbank Noord-Holland d.d. 21 oktober 2020

ECLI:NL:RBNHO:2020:8300

“5.2. De kantonrechter is van oordeel dat wat betreft de omvang en gevolgen van de huidige pandemie (in Nederland bekend als Coronacrisis, in de rest van de wereld als de Covid-19 pandemie) op 16 april 2020 (ten opzichte van 3 januari 2020) sprake was van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek. Er was op 3 januari 2020 in Nederland noch Duitsland enige patiënt met Covid-19 bekend, en de gevolgen van het nieuwe coronavirus lagen op dat moment nog in de toekomst.

5.3. Tussen 3 januari en 16 april 2020 is de Coronacrisis in al haar hevigheid uitgebarsten. De rijksoverheid sloot bijvoorbeeld op 15 maart 2020 in Nederland alle horeca terstond tot nader order. In maart en april stierven meer dan 6000 mensen in Nederland aan de gevolgen van Covid-19. Door gedaagden is voorts gesteld, en ook de kantonrechter gaat daarvan uit, dat er in de eerste helft van april 2020 voor eisers een quarantaineplicht was gaan gelden van 2 weken bij terugkeer in Duitsland vanuit Nederland.

5.4. Men kan in gemoede niet betogen dat partijen de (unieke) gevolgen van een wereldwijde pandemie al dan niet stilzwijgend in hun overeenkomst hebben verdisconteerd (MvA II, Parl.Gesch. 6. p. 973). Het feit dat gedaagden en aantal limitatieve gevallen hanteert, op grond waarvan de huurder de overeenkomst mag ontbinden (overlijden, ziekenhuisopname en onverwachte werkloosheid) maakt dat niet anders. Onder deze omstandigheden mochten eisers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst verwachten.

5.5. De kantonrechter zal de overeenkomst met terugwerkende kracht ontbinden. Hetgeen eisers hebben aanbetaald, kunnen zij daarom als onverschuldigd betaald terugvorderen te vermeerderen met wettelijke rente als gevorderd nu hiertegen geen zelfstandig verweer is gevoerd.

5.5. Eisers maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd en zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.”

  • Overheidsmaatregelen die samenhangen COVID-19 leveren gebrek op

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

ECLI:NL:OGEAC:2020:236

4.5. Ingevolge artikel 7:210 BW is tot ontbinding van de huurovereenkomst op de voet van artikel 6:267 BW zowel de huurder als de verhuurder bevoegd indien een gebrek dat de verhuurder ingevolge artikel 7:206 BW niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de huurder mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt. Uit de parlementaire geschiedenis op het Nederlandse artikel 7:210 BW volgt dat sluiting van het gehuurde als gevolg van een overheidsmaatregel ook als een gebrek in de zin van artikel 7:204 BWNL moet worden beschouwd. Nu het Curaçaose artikel 7:210 BW gelijkluidend is aan dat van Nederland en nergens uit blijkt dat de Curaçaose wetgever een andere betekenis voor ogen had, wordt de uitleg van de Nederlandse wetgever bij invoering van het artikel gevolgd.

Herhaald in uitspraak rechtbank Noord-Holland d.d. 27 mei 2020 onder 4.5

III. Contracten algemeen

  • Door de overheid opgelegde maatregelen te kwalificeren als onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba d.d. 27 augustus 2020

ECLI:NL:OGEAA:2020:358

“4.9 De Covid 19-pandemie en de in verband daarmee door de overheid opgelegde maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus kunnen worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6: 258 BW. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat partijen bij het sluiten van de casino-overeenkomst voor ogen hebben gehad dat zich een wereldwijde gezondheid crisis zou voltrekken die in Aruba en internationaal heeft geleid tot overheidsmaatregelen, die het huurgenot van de casinoruimte voor een langere periode onmogelijk zou maken, dan wel ernstig zou belemmeren.”

  • Stopzetten uitbesteden levert geen inbesteding op, noch strijd met beschermingen zoals geboden door richtlijn 2001/23/EG

Rechtbank Amsterdam d.d. 27 augustus 2020

ECLI:NL:RBAMS:2020:4226

4.6. Hilton heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een sterke teruggang in de kamerbezetting en benutting van de openbare ruimtes, zoals dat bij alle hotels (in het duurdere segment) in Amsterdam het geval is als gevolg van Covid-19. Het meerwerk, waarvoor CSU is ingeschakeld, is niet meer beschikbaar. Ook Hilton gaat dat werk niet verrichten. Van 48,6 fte per week aan benodigd schoonmaakpersoneel vóór Covid-19 heeft Hilton thans nog voor 19,4 fte aan schoonmaakpersoneel nodig. Het voorgaande brengt mee dat in dit geval niet kan worden gesproken van inbesteding. De beschermingsgedachte van richtlijn 2001/23/EG wordt hiermee niet geschonden. Die geldt als het werk verricht blijft worden en dat is hier niet het geval. Hilton heeft onweersproken gesteld dat de schoonmaakmedewerkers die bij haar in dienst zijn op dit moment betaald thuis zitten, terwijl de medewerkers van CSU het nog aanwezige werk verrichten. Hilton houdt de CSU-medewerkers op dit moment nog aan het werk omdat zij daar toch voor moet betalen.

  • Verplichting voor partijen te heronderhandelen

Rechtbank Rotterdam d.d. 30 september 2020

ECLI:NL:RBROT:2020:8831

“4.19. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen met zich dat partijen bij een overeenkomst rekening moeten houden met elkaars gerechtvaardigde belangen (HR 19 oktober 2007; ECLI:NL:HR:2007:BA7024 (Vodafone/ETC)). Indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen, zoals de uitbraak van het COVID-19 virus en de in verband daarmee genomen overheidsmaatregelen, kan dit betekenen dat partijen jegens elkaar verplicht zijn tot heronderhandelen van de tussen hen geldende overeenkomst.”

Herhaald in uitspraak Rechtbank Amsterdam d.d. 1 september 2020 onder 4.9.

  • Ongewijzigde instandhouding vergen kan in strijd met redelijkheid & billijkheid zijn.

Rechtbank Amsterdam d.d. 1 september 2020

ECLI:NL:RBAMS:2020:4274

“4.6. Hoewel partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet de situatie van een volledige sluiting van het Hotel (en dus in het geheel geen schoonmaakdiensten) zullen hebben voorzien, zijn er dus meer aanwijzingen die de interpretatie van het Hotel ondersteunen dan die van CSU. Echter, ook als CSU al een recht zou hebben op maandelijkse betaling van het vaste bedrag voor de publieke ruimtes, is voorshands aannemelijk dat het Hotel een geslaagd beroep zou kunnen doen op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat dat CSU naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten en die niet voor risico van het Hotel komen (artikel 6:258 BW). De schade die het Hotel lijdt als gevolg van Covid-19 is enorm. Zij verwacht dit jaar een omzetdaling van 86%. CSU zal vast ook negatieve financiële gevolgen ondervinden van Covid-19 – zelf heeft ze een omzetverlies van 9% genoemd – maar zij heeft haar schade onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij alleen een eigenhandig opgesteld overzicht van personeelskosten opgesteld en heeft zij geen aandacht besteed aan de besparingen die zij heeft kunnen doen door haar hotelpersoneel op andere locaties in te zetten, zoals het Hotel gemotiveerd heeft gesteld, met verwijzing naar artikelen in het Financieele Dagblad. Bovendien is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet onaannemelijk dat in de overeenkomst is verdisconteerd dat dit ondernemersrisico voor rekening van CSU moet blijven.

  • Partijen spreken contractueel af dat “dringende reden” niet kan liggen bij partij die er zich op beroept? Dan COVID-19 geen dringende reden.

Rechtbank Rotterdam d.d. 30 september 2020

ECLI:NL:RBROT:2020:8831

“4.7. Partijen hebben geen feiten gesteld die betrekking hebben op de totstandkoming van artikel 6 lid 5 van de overeenkomst. De rechtbank gaat er daarom van uit dat over dit artikel geen discussie is gevoerd tussen partijen voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst. Uit het feit dat partijen bij het opsommen van voorbeelden van situaties die een dringende reden opleveren slechts hebben gedacht aan omstandigheden die in de andere partij gelegen zijn, leidt de rechtbank af dat partijen met “dringende reden” niet het oog hebben gehad op omstandigheden die in de risicosfeer liggen van de partij die zich op opschorting beroept. Een redelijke uitleg van artikel 6 lid 5 van de overeenkomst brengt derhalve met zich mee dat de gevolgen die de uitbraak van het COVID-19 virus en de daarmee samenhangende overheidsmaatregelen voor de onderneming van Tigers hebben gehad, geen dringende reden in de zin van artikel 6 lid 5 van de overeenkomst opleveren. Tigers kon aan dat artikel dus niet de bevoegdheid ontlenen om de uitvoering van de overeenkomst op te schorten.”

IV. Leerstukken algemeen

  • Rechtbank Oost-Brabant d.d. 13 november 2020

ECLI:NL:RBOBR:2020:5030

Ook door familierechter wordt vastgesteld dat gevolgen van overheidsmaatregelen onvoorziene omstandigheden opleveren want:

“Verweer van de man dat zijn inkomsten vanwege de COVID-19-maatregelen in de evenementenbranche zodanig zijn geminimaliseerd dat hij niet meer in staat is om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De overheidsmaatregelen leveren onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW op, maar daarmee is nog niet komen vast te staan dat deze ook van zodanige invloed zijn op het verdienvermogen van de man dat de vrouw ongewijzigde handhaving van de afspraken niet kan verlangen.”

Herhaald in uitspraak rechtbank Noord-Holland d.d. 27 mei 2020 onder 4.8.